PAROCHIE

SINT-RITA HARELBEKE

Geschiedenis

De Sint Ritakerk Harelbeke

De Zandberg was oorspronkelijk slechts een gehucht van Harelbeke, op de grens met Kortrijk. In de vijftiger en zestiger jaren groeide die wijk geleidelijk uit tot een zelfstandige gemeenschap met een eigen karakter. Door de snelle bevolkingstoename groeide de noodzaak van eigen openbare gebouwen.

Geschiedenis en situering

 

 

Reeds lange tijd was er een meisjesschool met een noodkapel en later ook een jongensschool (waar nu de kunstwerkplaats De Zandberg gevestigd is).

In 1952 gaf het stadsbestuur Harelbeke de opdracht voor de bouw van een parochiekerk die tegelijk zou fungeren als bedevaart kerk van Sint Rita. Men vermoede toen niet dat het bouwwerk zou uitlopen tot 1966.

 

De architecten waren Léon Stijnen en diens geassocieerde Paul De Meyer.

De bouw die aangevat werd in 1963, moest wegens moeilijkheden van technische aard stopgezet worden. Pas in 1965 kon dankzij een nieuwe betonstudie van prof. Dr. Paduart verder gewerkt worden.

 

In 1966 werd de kerk uiteindelijk ingewijd.

 

 

Léon Stijnen. (1899-1990)

 

Bij Stijnen primeert voor alles de totaalvorm, de vorm als vorm. Hij laat zich geenszins afleiden door details, materialen, kleur of textuur, techniek of constructie. Hij bereikt een vrijwel absolute zuiverheid qua vormconcept, door de eliminatie van alle bijkomstigheden, die de essentie zouden kunnen vervagen. Hij geeft gestalte aan een helder vormidee, die met een onbegrensde consequentie het hele bouwwerk doordringt, tot in zijn miniemste aspecten.

 

Stijnen: “in de kunst bestaat er evenmin eenheid noch grootsheid als er niet bewust verzaakt wordt aan de uitbundigheden van het temperament en de vlotte fantasie. Creativiteit veronderstelt keuze en strengheid”.

 

Stijnen (trouwens een anti- klerikaal) was directeur van het Nationaal Hoger Instituut voor Architectuur en sierkunsten te Brussel (1950). Hij realiseerde onder ander ook het kursaal - casinocomplex  te Oostende (1948) en het gebouwen complex De Singel A’pen.

 

Paul De Meyer   noemde de stijl van de kerk niets nieuws, maar eenvoudigweg een moderne vorm van heilige kunst. Het was de bedoeling een ruimte te scheppen waar de mens zich alleen voelt, zonder herinnering (en zonder zicht op) aan het dagelijkse leven. Wat de lichtinval betreft rekenden ze op de natuurlijke lichtinval van boven naar beneden zodat het hoofd en de schouders van de gelovigen alsook het bovenvlak van alle voorwerpen die zich in de kerk bevinden, verlicht zullen worden. Een bijzonder effect.

 

Het exterieur van de kerk.

 

Het grondplan van de kerk bestaat uit een onregelmatige zeshoek, met een diameter van 30 meter, die omsloten wordt door naar elkaar toelopende gekreneleerde vlakken. Het geheel heeft de vorm van een afgeknotte piramide. Door middel van die afknotting zorgde Stijnen voor één centrale lichtbron. Dat schuinsliggend glazen afknottingsvlak loopt van 29 meter naar 17 meter hoogte. Er bevindt zich geen enkele kolom noch versteviging, de dunne gekreneleerde wanden (slechts 8.5cm) worden enkel samengehouden door de koepelconstructie, en hebben door hun vorm het nodige weerstandsmoment. Op die manier bekomen de vlakken door onderlinge ondersteuning hun stabiliteit.

De toegang tot de kerk geschiedt over een breed betegeld voorplein, doorheen een inkomportaal van 4.66 meter hoogte en 10 meter breedte langs de buitenzijde voorzien  van een luifel, aan weerszijden gesteund door gewapend betonnen wanden.

 

Zolang de ringbalken en de koepelconstructie niet voltooid waren dienden de wanden te worden gestut door een enorm piramidaal steigerwerk, bestaande uit maar liefst 25 kilometer metalen buizen. De wanden werden ter plaatse gestort en in gewapend beton uitgevoerd.

Foto’s hiervan kwamen in Moskou op een tentoonstelling over moderne bouwkunst.

 

Tot slot merken we hier op de oorspronkelijke betonkleur aan de buitenzijde (die nochtans kost wat kost bewaard moest blijven) intussen wit overschilderd werd.

 

Het interieur

 

Het ziet er naar uit dat Stijnen en De Meyer de aloude bijbelse ‘woontent van God te midden van zijn volk’ in een progressief, origineel en kunstvol ontwerp als het ware letterlijk  vertaald hebben. Deze referentie naar de bijbel komt niet alleen tot uiting in het uitwendige inderdaad tentvormige uitzicht, maar ook in het interieur verwijzen meerdere elementen naar de Heilige Schrift (we raden hierbij een bezoek aan de kerk aan).

 

Met uitzondering van de biechtstoelen  (in hout) werden alle vaste kerkmeubelen zoals het altaar, de doopvont, de credotafel, de lezenaar, alsook het onderstel van de tabernakel uitgevoerd in gepolijst geprefabriceerd beton. De biechtstoelen waren trouwens oorspronkelijk  ook in beton opgetrokken, maar werden omwille van het weinig esthetisch uitzicht, afgebroken en vervangen door houten biechtstoelen.

De binnenwand is bekleed met houtwolcementplaten en de vloer, tegen de wil in van Stijnen, bestaat uit granitotegels. De architect wilde een uitvoering in donker antraciet wat een totaal andere sfeer geschapen had. Er werd vanaf gezien doordat de lichtvoorziening te schaars was.

 

De psychologie van het gebouw.

 

Hoewel het interieur en het exterieur hetzelfde architecturale principe en het zelfde bouwkundig ritme overheersen, ondergaat men binnen toch een totaal andere beleving dan buiten.

Terwijl van buitenaf blijkbaar de stoere gestalte van het bouwwerk primeert, geaccentueerd door de intense harmonie van het ribbenspel, verliest de bezoeker, bij het binnengaan van de kerk, als het ware elke houvast. Het ontbreekt hem aan een steunpunt. Onder meer door de eentonige bekisting van de houtwolcementplaten ondergaat hij de werveling van de ruimte.

 

Het is alsof de vloer onder de voeten van de bezoeker beweegt, en zich bij elke stap onder de voet wegtrekt.

 

De hoogopschietende wanden rijzen op naar een wiskundig berekend gedecentraliseerd vluchtpunt, maar de bezoeker is niet in staat het te lokaliseren. Hij gaat de hoek tussen de vloer en de nochtans hellende vlakken beschouwen als een rechte hoek en de wanden dus als volledig rechtopstaande. Daardoor wordt de vloer als het ware visueel naar omhooggetrokken. Bovendien is het zo dat de vloer in realiteit een dalende helling van 12 centimeter maakt vanaf de poort tot aan het koor.

In zekere mate voldoet het bouwwerk aan de liturgische eisen van die tijd. Maar toch kan men de vraag stellen in hoeverre de doorsnee kerkbezoeker de structuur, de inrichting en meer bepaald de hallucinatie ervaring bij het binnen komen aanvoelt als een sacraal, spiritueel gegeven?



[1] Uittreksels uit eindwerk van Hilde Pottie